De update van het PvE Frisse Scholen 2021 is bijna klaar. In deze nieuwe versie zijn onder andere de eisen voor de temperatuur in de zomer bijgesteld. Waarom deze bijgesteld zijn, leest u in onderstaand artikel dat in gaat op de verschillen tussen de temperatuurbeleving van kinderen en volwassen en wat dit betekent voor het ontwerp van scholen.

In onderzoeken die we uitgevoerd hebben in scholen, viel het op dat de beleving van de temperatuur door kinderen vaak niet overeen komt met de verwachtingen op basis van comfortmodellen. Ook in de literatuur zien we terug dat de temperatuur anders wordt ervaren door kinderen dan door volwassen. Bij gematigde temperaturen, lijken kinderen de temperatuur als warmer te ervaren dan voorspeld met comfortmodellen. Bij hogere temperaturen lijken kinderen de omgeving juist als minder warm te ervaren. Dit zou betekenen dat de temperatuureisen voor scholen niet voorzien in comfort van kinderen. Om na te gaan of deze observatie zou moeten leiden tot aangepaste temperatuureisen voor scholen, hebben we een literatuuronderzoek gedaan naar mogelijke verklaringen voor deze verschillen (zie Figuur 1).

Verschil in gedrag, zoals het activiteitenniveau en het dragen van luchtige kleding, kunnen leiden tot een verschil in een waarneming van de temperatuur tussen volwassen en kinderen. Ook verschillen in fysiologie (denk aan de mate waarin het lichaam warmte af kan geven aan de omgeving) en psychologie (zoals verwachtingen over de temperatuur) kunnen bijdragen aan het verschil in perceptie. Zo zal een hogere activiteitenniveau bij kinderen leiden tot een warme sensatie, terwijl het dragen van luchtige kleding in de zomer juist het tegenoverstelde effect heeft.

Daarnaast kan de manier waarop de temperatuur en de thermische sensatie gemeten wordt  verklaren dat kinderen temperatuur anders ervaren dan volwassenen. De beleving van de temperatuur wordt vaak geëvalueerd door gebruik te maken van een vragenlijst. Kinderen kunnen vragen anders interpreteren dan volwassenen. Bovendien is bekend dat kinderen vragen anders (explicieter) beantwoorden. Ook functioneren scholen anders dan de kantoren waar veel onderzoeken de conclusies op baseren. In scholen zitten kinderen dichter op elkaar, waardoor de stralingscomponent mogelijk een grotere rol speelt in de thermische sensatie. Om praktische reden worden de temperatuurmetingen meestal niet direct tussen de leerlingen uitgevoerd, maar aan de zijkant van het lokaal. Hierdoor wordt de operatieve temperatuur (combinatie van luchttemperatuur en stralingstemperatuur) waar kinderen aan blootgesteld worden mogelijk onderschat. Dit komt overeen met de observatie uit meerdere onderzoeken dat voor gematigde temperaturen (<25°C) kinderen de temperatuur warmer ervaren dan volwassenen. Boven deze temperatuur gaat de stralingscomponent een kleinere rol gaat spelen en lijkt het verschil tussen volwassenen en kinderen minder groot. De beleving van de temperatuur wordt dan sterker afhankelijk van de aanwezigheid van aanpassingsmogelijkheden (denk aan koeling via te openen ramen of ventilatoren) en gewenning van de kinderen zelf. Kinderen lijken zelfs minder gevoelig voor hogere temperaturen dan volwassenen.

Steeds vaker worden schoolgebouwen voorzien van koeling. Om de koeling zo comfortabel mogelijk in te regelen en tegelijk ook het energiegebruik zo veel mogelijk te beperken, is het van belang om deze verschillen tussen kinderen en volwassenen goed te begrijpen en daar adequate oplossingen voor te vinden. We hebben daarom ook gekeken wat dit betekent voor het ontwerp van schoolgebouwen. Want betekenen andere temperatuureisen ook dat mechanische koelsystemen of intelligent passieve koeloplossingen ‘verplicht’ moeten worden in schoolgebouwen?

Een goed ontwerp van het schoolgebouw in combinatie met goede voorlichting aan de gebruikers blijkt de belangrijkste stap om oververhitting in een schoolgebouw op een gezonde, energiezuinige en kostenefficiënte manier op te lossen. Dit betekent dat het gebouw oververhitting ten gevolge van zoninstraling tegengaat (o.a. oriëntatie, zonwering), het gebouw warmte kan bufferen (grote gebouwmassa) en een gebouw waar gebruikers de mogelijkheid hebben om aanpassingen te doen (het openen van ramen, gebruik van ventilatoren en de vrijheid om kleding en gedrag aan te passen op de temperatuur). Dit draagt tevens bij aan het adaptieve vermogen (aanpasbaarheid) van kinderen aan een warmere omgeving wat hen minder gevoelig maakt voor warmte en hittegolven in het algemeen.

De bevindingen van deze studie zijn gepubliceerd in de proceedings van de Windsor conference en zullen eind 2021 ook verschijnen in als hoofdstuk in het boek “A Handbook of Resilient Thermal Comfort”.